De milieuwetgeving in relatie tot het hebben, houden en fokken van honden

door Rob Schellevis 

Wanneer je de titel van dit artikel leest denk je al snel milieuwetgeving ………. honden; wat heeft dat nu precies met elkaar te maken? De relatie tussen de milieuwetgeving en het hebben, houden en fokken van honden kan worden gelegd met behulp van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer is overigens een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste milieuwet die wij in Nederland kennen. De wet is er met name voor bedoeld gevaar, schade en hinder in de directe omgeving van een bedrijf te voorkomen (in vakjargon ‘inrichting’ genoemd). Dit wordt bereikt door het van overheidswege stellen van voorschriften waaraan de exploitant van een inrichting zich heeft te conformeren.

In de Wet milieubeheer en het Inrichtingen en vergunningenbesluit is aangegeven wanneer een inrichting milieuvergunningplichtig dan wel meldingsplichtig is. In de Wet milieubeheer is het begrip inrichting omschreven. De definitie hiervan is immers van belang om te kunnen bepalen of een inrichting onder de werkings­sfeer van de Wet milieubeheer valt. In de Wet milieubeheer is het begrip inrichting als volgt gedefinieerd:

"elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht". 

Uit de definitie zoals deze is vastgelegd in de wet kan de conclusie worden getrokken dat zowel bedrijfsmatige activiteiten als hobby­matige activiteiten binnen de werkingssfeer van de Wet milieubeheer kunnen vallen. Voorwaarde is wel dat de hobbymatige activiteit een bedrijfsmatige omvang heeft en deze binnen een zekere begrenzing wordt verricht (dus binnen bijvoorbeeld een gebouw of perceelsgrenzen). 

Wanneer je in het bezit bent van een gewone gezellige huishond, dan zul je niet zo snel in contact komen met de Wet milieubeheer. Wanneer krijg je dan wel met deze wet te maken?

Het hebben, houden en fokken van honden kan een bepaalde mate van overlast veroorzaken in de directe omgeving van een kennel. Zeker wanneer je je bedenkt dat de meeste fokkers die hobbymatig fokken toch al snel meer dan 3 honden hebben lopen. De hinder die een aantal honden kunnen veroorzaken in de directe omgeving (denk aan het blaffen) van de kennel vormt het aanknopingspunt met de Wet milieubeheer. Deze wet is echter, zo hebben wij eerder vastgesteld, alleen van toepassing indien blijkt dat er sprake is van bedrijfsmatige, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing wordt verricht.

Over het laatste criterium kunnen we kort zijn. Kennelactiviteiten worden eigenlijk altijd binnen een zekere begrenzing verricht. Het aantal gehouden honden blijkt dus uiteindelijk van doorslaggevende betekenis bij de beantwoording van de vraag of een kennel valt onder de werkingssfeer van de Wet milieu­beheer. Slechts af en toe vinden we in de jurisprudentie uitspraken die te maken hebben met het hebben, houden en fokken van huisdieren. 

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 10 augustus 2000 uitspraak gedaan inzake een kennel waar 8 Bouviers werden gehouden waarmee werd gefokt. De Afdeling Bestuursrechtspraak oordeelde in kwestie dat niet was gebleken van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie. De Afdeling kwam tot deze conclusie omdat was gebleken dat de inkomsten die met de verkoop van de puppies werden verworven, wegvielen tegen de kosten van de verzorging van de honden. Tevens stelde de Afdeling Bestuurs­rechtspraak dat er gelet op het aantal honden geen sprake was van een bedrijvigheid in een omvang als ware zij bedrijfsmatig.

Conclusie

Kennels zijn op grond van de Wet milieubeheer niet vergunningplichtig op het moment dat er niet meer dan 8 honden worden gehouden. Overigens lijkt het erop dat de Afdeling Bestuursrechtspraak zich in haar uitspraak mede heeft laten leiden door de richtlijn van de Inspectie van de Volksgezondheid voor de hygiëne van het milieu. Ingevolge deze richtlijn acht de Inspectie het verantwoord in het buitengebied ten hoogste tien honden hobby­matig te houden. De zaak die aan de Afdeling Bestuursrechtspraak werd voorgelegd speelde zich overigens ook af in het buitengebied. Wanneer deze zaak zich overigens binnen de bebouwde kom had afgespeeld dan had de Afdeling Bestuursrechtspraak in mijn optiek tot geen andere conclusie gekomen.

Andere regels om eventuele overlast door het hebben, houden en fokken van honden te beperken

Kennels die buiten de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen kunnen toch te maken krijgen met een aantal regels om de overlast in de directe omgeving te beperken. Gemeenten maken dan gebruik van de mogelijkheid die geboden wordt middels de Algemene Plaatse­lijke Verordening (ook wel APV genoemd). Het kapstokartikel is een artikel met betrekking tot het houden van hinderlijke of schadelijke dieren. In vrijwel alle gemeenten is er in de APV’s een verbod opgenomen om dieren aanwezig te hebben die overlast of schade veroorzaken. Over het algemeen is er tevens een mogelijkheid opgenomen waarbij Burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van dit verbod. Dit gebeurt meestal middels een vergunning onder voorschriften. De voorschriften bevatten meestal een aantal bepalingen op basis waarvan mag worden aangenomen dat de overlast bij naleving tot acceptabele proporties wordt teruggebracht. (Deze voorschriften kunnen bijvoorbeeld inhouden dat honden alleen nog maar in (geluid) geïsoleerde kennels mogen worden gehouden en een paar maal per dag voor een bepaalde tijdsperiode buiten mogen uitrennen). 

Overigens komt een gemeente op basis van de APV vaak pas in actie nadat er klachten zijn binnengekomen. Van belang is dus er voor zorg te dragen dat uw omgeving geen last van uw honden heeft. U zult dan waarschijnlijk ook geen bezoek van de gemeente krijgen.

Tekst uitspraak ABRS 10 augustus 2000, nr. E03.98.1443 (Wisch)

Soort besluit

Afwijzing verzoek om toepassing handhavingsmaatregelen ten aanzien van het houden/fokken van honden.

Rechtsvraag

Is sprake van een vergunningsplichtige inrichting? 

Uitspraak

In de inrichting worden acht honden gehouden waarvan slechts een deel voor de fok wordt ingezet. Niet gebleken is van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie nu de inkomsten die met de verkoop van de puppies worden verworven, wegvallen tegen de kosten van de verzorging van de honden. Gelet op het aantal honden is evenmin sprake van een bedrijvigheid in een omvang als ware zij bedrijfsmatig. Mitsdien is geen vergunning op grond van de Wet milieubeheer vereist.

Wet milieubeheer, artikel 1.1 lid 1

Relevante overwegingen bij besluit van 19 december 1997 hebben verweerders afwijzend beslist op een verzoek van appellante om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het houden/fokken van honden.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of het in dit geval gaat om het bedrijfsmatig houden en fokken van honden, zodat gesproken kan worden van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist. Dit is van belang voor de beantwoording van de vraag of verweerders op juiste gronden hebben afgezien van het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.

Verweerders hebben het bestreden besluit, waarin de bezwaren van appellante ongegrond zijn verklaard, doen steunen op de overweging dat op het desbetreffende perceel doorgaans acht Bouviers worden gehouden. Volgens een door verweerders gehanteerde richtlijn van de Inspectie van de Volksgezondheid voor de hygiëne van het milieu mogen in een buitengebied ten hoogste tien honden hobbymatig worden gehouden. Verweerders stellen zich dan ook op het standpunt dat, mede gelet op de omstandigheid dat met de verkoop van de pups geen wezenlijke inkomsten worden verworven en niet is gebleken van kenmerken van een bedrijfsmatige exploitatie, het houden van de honden niet kan worden aangemerkt als een bedrijfsmatig handelen. Evenmin is volgens verweerders, gelet op het aantal honden dat gewoonlijk door bedrijfsmatige fokkers wordt gehouden, sprake van een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was. Verweerders zijn dan ook van mening dat geen sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. 

Appellante stelt dat het aantal volwassen Bouviers naar haar mening voldoende is om daaruit inkomsten te genereren die na aftrek van de kosten in een winst resulteren. Zij stelt voorts dat de hondenfokactiviteiten een zekere continuïteit hebben en dat de huisvesting van de honden daarop is ingericht. Hierbij is volgens appellante tevens van belang dat op een bord aan de weg is vermeld dat zich ter plaatse een kennel bevindt. Appellante is gelet hierop van mening dat de activiteiten op bedrijfsmatige wijze plaatsvinden en een zodanige omvang hebben dat zij boven het hobbymatige uitstijgen. Volgens haar is sprake van een inrichting waarvoor krachtens de Wet milieubeheer een vergunningsplicht geldt.

De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat verweerders geen beoordelingsvrijheid toekomt bij de vaststelling of een bedrijvigheid een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is. Aan de door verweerders gehanteerde richtlijn van de Inspectie van de Volksgezondheid voor de hygiëne van het milieu komt in dit verband dan ook geen doorslaggevende betekenis toe. 

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting worden op het perceel, dat in het buitengebied is gelegen en waarvan appellante de eigenaresse is, door belanghebbende acht honden gehouden. Slechts een aantal van deze honden wordt voor de fok ingezet. De honden worden voornamelijk op het terrein buiten het huis gehouden. Op dit terrein bevinden zich tien hokken met binnen- en buitenverblijf en daarnaast is er een uitloopweide. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie door belanghebbende. Voldoende aannemelijk is geworden dat de inkomsten die met de verkoop van de puppies worden verworven wegvallen tegen de kosten van de verzorging van de honden. Gelet hierop kan naar het oordeel van de Afdeling het houden en fokken van deze honden niet worden aangemerkt als bedrijfsmatig handelen. Op grond van het verhandelde ter zitting kan niet worden aangenomen dat belanghebbende de intentie daartoe ten tijde van het nemen van het bestreden besluit of voordien ooit heeft gehad. Evenmin is, mede gelet op het geringe aantal honden waarmee wordt gefokt, in dit geval sprake van een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was.

Het vorenstaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat niet kan worden gesproken van een inrichting in de zin van artikel 1.1 lid 1 van de Wet milieubeheer. Hieruit volgt dat voor het houden en fokken van de honden geen vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist en dat artikel 8.1 van deze wet niet is overtreden. Verweerders hebben zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat zij niet bevoegd waren tot het nemen van een besluit tot toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.

Het beroep is ongegrond.

Nederlandse Berner Sennen Vereniging