Door Judith Westra en Rob Schellevis
In deel 2 hebben wij het gehad over twee belangrijke leermethoden namelijk de klassieke conditionering en de operante conditionering. Beide maken overigens deel uit van het zogenaamde associatieleren. Het associatieleren is een vorm van leren waarbij het ontdekken van koppelingen of van samenhangende gebeurtenissen centraal staat.
Naast het associatieleren zijn er overigens nog andere vormen van leren te onderscheiden. Hierbij kan dan gedacht worden aan inprenting, habituatie (gewenning), sensitisatie (gevoeliger worden), latent leren (waarbij belonen of straffen geen rol speelt), inzicht leren (doelbewust gericht leren) en imitatie leren (aanleren van totaal nieuw gedrag dat niet behoort tot de natuurlijke gedragspatronen).
Vanwege het feit dat de operante conditionering een belangrijke leermethode is bij de hedendaagse trainingen willen we daar iets uitgebreider bij stil staan.
Bij het trainen volgens de operante conditioneringstechniek wordt het gedrag beïnvloed door gebruik te maken van positieve en negatieve bekrachtigingen, positieve en negatieve correcties en het uitdoven van gedrag (in de ethologie extinctie genoemd). Bij operante conditionering is sprake van het uitdoven van gedrag wanneer een bepaalde handeling niet meer leidt tot het gewenste effect. Bijvoorbeeld kun je denken aan een hond die zodra hij naast zijn baasje gaat zitten piepen over zijn kop geaaid wordt. Wanneer dit piepen niet meer beloond wordt met aaien, dan zal dit piepen na verloop van tijd ophouden (uitdoven) omdat de hond weet dat dit piepen niet meer beloond wordt. Over de snelheid waarmee het gedrag zal uitdoven vallen geen voorspellingen te doen. Dit is afhankelijk van de uitdovingsweerstand. Honden die op een variabel beloningsschema zitten (dus honden die niet altijd voor bepaald gedrag worden beloond, maar slechts af en toe) hebben over het algemeen een grotere uitdovingsweerstand.
De operante conditioneringstechniek kent twee belangrijke technieken. Enerzijds training middels bekrachtiging en anderzijds training middels correctie. Vervolgens kunnen we binnen beide technieken weer onderscheid maken in positieve en negatieve bekrachtiging en positieve en negatieve correctie.
Bekrachtiging
Bekrachtiging leidt per definitie tot een toename in de frequentie van bepaald gedrag. Dit kan zowel een toename van gewenst als ongewenst gedrag zijn. Positieve bekrachtiging is het toedienen van een prikkel waarvan verwacht mag worden dat een hond deze prikkel door gedrag probeert te verwerven. Bijvoorbeeld een brokje na een oefening. Gedrag dat gunstige gevolgen heeft en wordt bekrachtigd zal in de toekomst worden herhaald en toenemen. Negatieve bekrachtiging gaat uit van verwijderen, voorkomen, verminderen of onthouden van prikkels.
Kortom, zowel positieve als negatieve bekrachtiging verhogen de kans op het optreden van gedragshandelingen die aan de positieve of negatieve bekrachtiging vooraf is gegaan.
Voor alle duidelijkheid: positief en negatief hebben slechts te maken met het toedienen en wegnemen en niets met het welbevinden / straffen van de hond.
Heden ten dage zijn wij ons ervan bewust dat het bij training de voorkeur geniet om gewenst gedrag te belonen en ongewenst gedrag te negeren. Technisch gesproken wordt het negeren van ongewenst gedrag extinctie(uitdoving) genoemd.
Correctie
Een correctie is een prikkel die, wanneer deze onmiddellijk volgt op een gedragshandeling, de kans op het optreden van dat gedrag vermindert. Binnen de kynologie worden de begrippen negatieve bekrachtiging en correctie nog wel eens met elkaar verward. Toch verschillen ze in belangrijke mate. Het verschil is niet zo heel moeilijk. Correctie vermindert per definitie de kans dat een bepaalde gedragshandeling opnieuw zal optreden, terwijl negatieve bekrachtiging de kans dat een gedragshandeling zich weer voordoet juist per definitie verhoogt.
Bij correctie is er ook weer onderscheid te maken tussen een positieve en negatieve correctie. Bij positieve correctie wordt een onaangename prikkel toegediend (bijvoorbeeld een tik of een te harde ruk aan de riem) direct volgend op een gedragshandeling. Hierbij mag er van worden uitgegaan dat de gedragshandeling afneemt. Het gebruik van positieve correcties is in het algemeen af te raden bij het trainen met de hond.
Bij een negatieve correctie wordt de positieve prikkel verwijd of onthouden die de hond graag verwerft, direct volgend op een gedragshandeling. Hierdoor zal de frequentie van die handeling in de toekomst afnemen. In tegenstelling tot wat er gebeurt bij een positieve correctie wordt bij een negatieve correctie geen pijnprikkel bij de hond toegediend.
Bij de hedendaagse trainingen van honden wordt met name gebruikgemaakt van positieve bekrachtiging. Overigens kan het soms, bijvoorbeeld ingeval van probleem gedrag, nodig zijn om andere methoden toe te passen.
Uiteraard kunt je ook vragen insturen met betrekking tot gedragsonderwerpen die je graag behandeld zou zien.