Functies van de klassieke conditionering

Door Judith Westra en Rob Schellevis

In voorgaande clubbladen benoemden we reeds dat de klassieke conditionering kan worden gezien als een manier van leren die de hond voorbereidt op iets dat komen gaat. De hond leert anticiperen op de situatie, weet wat hem te wachten staat. Het principe van klassieke conditionering heeft echter nog meer functies.

  1. Generalisatie
    Middels het klassieke conditioneren leert een hond dat er een bepaalde situatie gaat volgen op een bepaalde prikkel. Als de hond nu van elke nieuwe prikkel zou moeten leren welke situatie er op volgt, dan was hij voortdurend bezig met leren en zou hij zelfs gevaar kunnen lopen. Het is gemakkelijk als de hond leert dat er soms meer prikkels zijn die op elkaar lijken en die allemaal gevolgd worden door dezelfde situatie.
    Het geluid van de brokken in de bak of het geritsel van een zakje met koekjes bijvoorbeeld, klinkt niet altijd precies hetzelfde. Toch leert de hond al snel dat dit soort prikkels tot een vergelijkbare situatie leiden (en tot bedelen).
    Een ander voorbeeld is dat van een hond die door een kat erg is toegetakeld. De hond zal nu waarschijnlijk in de toekomst niet alleen die ene kat uit de weg gaan, maar zal op de loop gaan voor alle katten die op hem af komen…
    Ook kun je denken aan het wennen aan auto's. We hoeven de hond niet aan alle soorten auto’s te wennen. Is de hond eenmaal gewend aan enkele auto’s, dan zullen ook andere auto’s geen probleem zijn.

Dit verschijnsel van veralgemeniseren van prikkels noemen we prikkel­generalisatie of ook wel kortweg generalisatie.
Het kent positieve kanten, welke we bijvoorbeeld gebruiken tijdens het socialiseren en habitueren van pups. Maar het kent ook negatieve kanten, welke we zien wanneer een hond bijvoorbeeld een angstige ervaring heeft met vuurwerk en dit vervolgens gaat generaliseren naar alle soorten van knallen.

  1. Discriminatie
    Een hond moet niet alleen kunnen veralgemeniseren of generaliseren. Het is ook belangrijk dat hij bijvoorbeeld onderscheid kan maken tussen ‘vreemd’ en ‘eigen’. Hij moet zijn baas gehoorzamen, maar niet een willekeurig ander persoon. De meeste honden zijn zeer goed in staat om dit onder­scheid te maken.

Het maken van onderscheid tussen verschillende prikkels wordt prikkeldiscriminatie of kortweg discriminatie genoemd.

Kijken we naar bijvoorbeeld het ‘speuren’ met honden of zelfs de speciale hasjhonden, dan zien we een voor­beeld van het discriminerend vermogen van een hond. Tussen allerlei geuren is de hond in staat onderscheid te maken voor één specifieke geur, ofwel te discrimineren.

  1. Conditionering van de tweede orde
    Nog een aspect van de klassieke conditionering verdient de aandacht. De honden in de experimenten van Pavlov vormen een geconditioneerde of voorwaardelijke reactie op een toon. Deze toon ging vooraf aan de onvoorwaardelijke prikkel, het voedsel. Als men nu aan de toon een andere prikkel laat voorafgaan - Pavlov gebruikte een zwart vierkant - dan begint na verloop van tijd de hond al speeksel af te scheiden bij het zien van het vierkant. Dit verschijnsel heet conditionering van de tweede orde. Bij de conditionering van de eerste orde kwam een koppeling tot stand tussen een geluid en voer. Bij de koppeling van de tweede orde ontstaat een soortgelijke koppeling tussen vierkant en geluid. Anders gezegd ging het geluid dienen als secundaire versterker. Het voer, dat de oorspronkelijke reactie (kwijlen) oproept is in dit voorbeeld een primaire versterker.

Een ander voorbeeld uit het leven van alledag zou kunnen zijn, dat een hond opspringt en naar de baas komt, wanneer deze ’s avonds voor het slapen gaan nog een hondenkoekje uit de trommel pakt. Na enige tijd staat de hond al op en komt bijvoorbeeld naar de baas toe wanneer deze ’s avonds de TV uitzet. De hond heeft leren anticiperen en heeft geleerd dat de baas altijd eerst de TV uitzet voordat hij naar de koektrommel gaat.

Nog een ander voorbeeld is dat je niet alleen de clicker steeds koppelt aan voer, maar vooraf­gaand aan de click het woordje braaf gaat zeggen (of in je handen klapt of verzin maar iets). Het voer is in dit voorbeeld de primaire versterker voor de click. De click is de secundaire versterker van het woordje braaf (of klappen, of wat dan ook).

Voor zover deze keer. Volgende keer zullen we onder andere verder ingaan op de functies van de operante conditionering. Natuurlijk kunt u ook nog altijd zelf vragen of onderwerpen die met gedrag te maken hebben aandragen.

 

Nederlandse Berner Sennen Vereniging