Afstamming en ontstaan van gedrag bij de hond

Door Judith Westra en Rob Schellevis

De afstamming van de hond is over een periode van 40 miljoen jaar terug te voeren naar de Miacis, een klein, in bomen levend zoogdier met een lange staart. Wanneer we naar het gedrag van onze honden kijken gaan we echter nooit zover terug in de tijd. Meer herkenbaar is het gegeven dat onze honden afstammen van de wolven. Een proces dat zich de afgelopen 10 tot 15 duizend jaar heeft voltrokken en heeft geleid tot onze hedendaagse huishond. Het feit dat er zoveel rassen zijn ontstaan heeft enerzijds te maken met de enorme genetische variëteit bij de wolven en anderzijds doordat er langdurig en intensief is geselecteerd in de fokkerij. Aanvankelijk werd er alleen geselecteerd op werkeigenschappen en gedrag, pas de laatste eeuwen is men meer gaan selecteren op uiterlijk.

Onze hond stamt dus af van de wolf, niet alleen uiterlijk maar ook in zijn gedrag. Daarom is het belangrijk iets te weten van de leefwijze van de wolf en diens gedrag. De wolf leeft in een roedel. Dit is een groepje wolven, waar­binnen een paar vrouwtjes en een paar mannetjes samen leven. Ze leven in een roedel, omdat de wolf jaagt op groot wild. Groot wild is gemakkelijker met een groep in te sluiten en te vangen, dan in je eentje, dus jagen de wolven samen. Groot wild heeft bovendien een redelijk groot gebied waar­binnen ze wonen en grazen. Wil je als wolf voldoende te eten hebben, dan is het dus handig als je een leefgebied van een kudde groot wild tot je beschikking hebt. Maar ja, zo’n groot gebied is weer moeilijker te verdedigen tegen indringers. Nog een reden dus voor wolven om in een groep te leven en op die manier de grenzen van ‘hun’ gebied, territorium genoemd, te verdedigen. Een laatste reden voor wolven om in een roedel te leven zijn de jongen. Wolven krijgen jongen die blind en doof worden geboren en nog erg kwetsbaar zijn. Ze kunnen nog niet direct na de geboorte lopen en met een groep mee, zoals bijvoor­beeld herten of kalveren. We spreken daarom van ‘nestblijvers’. Als een moederwolf haar jongen moet voeden én ze verdedigen, zijn de jongen erg kwetsbaar en de overlevingskansen van de wolf dus ook. De groep, of roedel, wolven verdedigt daarom gezamenlijk de jongen en helpt de moeder bij het voeden en de opvoeding.

Gedragingen die een hond van zijn voorouders heeft meegekregen zijn onder andere jagen, verdedigen van zijn territorium en het hoeden over en grootbrengen van pups. Bovendien zien we veel roedelgedrag bij de hond. Met een roedel kan alleen iets bereikt worden als er duidelijkheid en orde is. In een wolvenroedel moet er een wolf zijn die de groep aanvoert en er moet worden samengewerkt, want anders vang je nog niet dat grote wild en verhonger je alsnog. In een roedel wolven is daarom altijd een duidelijke rangorde. Of eigenlijk zijn er twee rangordes: één van de reuen en één van de teven. Er is één reu die de baas is en die we de alpha reu noemen. Daaronder komt nummer twee, de bèta en nummer drie en zo verder. Ook van de teven is er één teef de baas, dit is de alpha teef. Vaak is het zo dat de teef ook de uiteindelijke baas is in het roedel. Onder deze alpha teef komt eigenlijk een tijdje niets en dan komt er een groepje lagere teefjes, waarbij de rang nog wel eens wil wisselen. Binnen een wolvenroedel is het zelfs vaak zo dat alleen de alpha teef loops wordt en gedekt. Wordt een andere teef per ongeluk toch gedekt, dan worden de pups van deze lagere teef vaak dood gebeten. Dit is omdat de natuur alleen toestaat dat de sterkste dieren zich voortplanten. Is er een teef die toch een greep naar de macht van de alpha teef doet, dan kan een gevecht op leven en dood ont­staan. Ook kan het zo zijn dat deze tweede teef uiteindelijk de roedel verlaat met een aantal jongere mannetjes en haar eigen roedel begint. In een roedel zien we dus een alpha teef, een alpha reu, een bèta reu, daaronder in volgorde de wat jongere mannetjes, dan een aantal lage teefjes en de pups.

Onze hond is nog steeds een roedeldier en kan niet in eenzaamheid leven. Maar dit houdt ook in dat er voor de hond een duidelijke rang­orde moet zijn binnen de roedel. In onze huidige samenleving zien we het gezin, of de mensen die samen in een woongemeenschap leven als een roedel. Ook de hond moet hierin zijn plaats krijgen. Belangrijk is dat het voor een hond niet mogelijk is om op gelijke voet te staan. Je bent of hoger in rang, of je bent lager dan de hond! Om de orde in een roedel te bewaken mag een ranghogere een ranglagere terechtwijzen of corrigeren. Een wolf of hond heeft hiertoe een aantal mogelijkheden, afhan­kelijk van hoe zwaar hij wil corrigeren en hoe snel de ranglagere luistert. Een hond kan bijvoorbeeld grommen en als dit niet werkt kan hij bijten. Dit bijten gebeurt vaak in de nek, waarbij de druk van de beet geleidelijk wordt opgevoerd, of ook wel over de snuit. Dit laatste is een zwaardere correctie. Een hond kan in elk geval niet praten, schelden, slaan, of iets ander menselijks doen! Zou het dus zo zijn dat een hond niet de laagste in rang is binnen een mensenroedel, dan mág de hond grommen en bijten als de lagere mensen niet luisteren… Dit mág weliswaar in de natuur, maar in onze mensenmaatschappij wordt dit niet getolereerd en kan uiteindelijk leiden tot de dood van de betreffende hond! Het is dan ook belangrijk dat we als mensen het gedrag van honden proberen te begrijpen en alles doen om op een hondse manier te voorkomen dat de hond hoger in rang is dan ons mensen. Hoe kunnen we nu het gedrag van de hond op een hondse manier beïnvloeden? Hoe kunnen we daardoor problemen in het gedrag van onze hond voorkomen?

Allereerst is het belangrijk te weten dat gedrag ALLES is wat een hond doet! Een deel van dit gedrag leert de hond na de geboorte. Sommige dingen van de moederhond, andere dingen van zijn omgeving en dus onder andere van ons mensen. Het gedrag is echter ook gedeeltelijk aangeboren en mee­gegeven in de genen en heeft daarin nog duidelijk herkenbare gedragingen die afstammen van zijn voorouder de wolf. Het ontstaan van een hondenindividu begint feitelijk met de ontwikkeling van het embryo. Er volgt een periode van snelle ont­wikkeling. Niet alleen ontwikkelen zich de uiterlijke vormen met het tot stand komen van weefsel en organen, ook ontwikkelen zich de functies van de hond in wording, waaronder het gedrag. Tijdens de ontwikkeling van de hond neemt het gedrag in complexiteit en gedifferen­tieerdheid toe. Dit ontwikkelingsproces van het gedrag verloopt het snelst in het eerste jaar na de geboorte. Nadien vertraagt dit proces, maar komt nooit geheel tot stilstand. Nieuw gedrag kan zich ontwikkelen en bestaand gedrag kan zich wijzigen…

In het eerste jaar van zijn hondenleven legt de hond dus de basis voor de meeste gedra­gingen en gedragspatronen. Het is dus niet zo, dat een pup nog niets verkeerd kan doen! Integendeel, bijna alle probleemgedrag ont­staat in de puppytijd! Neem daarom, zeker in het eerste jaar van zijn leven, de tijd om naar uw hond te kijken en over zijn gedrag na te denken: wat hij als puppy doet / mag, vindt u het goed als hij dat ook nog doet als volwassen hond…? Verder moet u weten dat een hond alleen gedrag vertoont dat zinvol is voor de hond. Hij doet iets dus niet uit liefde voor ons (sorry!) en een ‘will too please’ bestaat niet! Tegenwoordig spreekt men over de ‘will too do’. Een hond vertoont gedrag bijvoorbeeld omdat het hem iets lekkers oplevert, eten is immers een eerste levensbehoefte. Ook kan het zijn dat bepaald gedrag hem aandacht oplevert, of ervoor zorgt dat iets naars ophoudt of weggaat. In het laatste geval kunt u bijvoor­beeld denken aan het borstelen van een hond die dit niet leuk vindt. De hond gromt als de baas bij zijn poten komt en de baas besluit om dan maar te stoppen met borstelen… De hond heeft hiervan geleerd dat het helpt om te grommen, want dan stopt het nare borstelen. Zou grommen vervolgens een keer niet tot stoppen leiden, dan is de stap naar bijten snel gezet…

Omdat het eerste jaar in een hondenleven zo belangrijk is en een basis legt voor later gedrag is het opvoeden van een hond ook zo belang­rijk. Voor alle duidelijkheid moet vermeld worden dat opvoeden en trainen twee ver­schillende begrippen zijn. Opvoeden doet u 24 uur per dag en in alle reacties die een hond ontvangt op zijn gedragingen. Trainen is vaak het in een korte periode per week (of dag) intensief bezig zijn met de hond aan een aantal ‘trucjes’ (bijvoorbeeld voor wedstrijden gehoor­zaamheid) of met sporten als behendigheid, breitensport, jacht of flyball. Dit trainen kan een ondersteuning zijn bij de opvoeding en een leuke en uitdagende activiteit voor zowel hond als baas, maar vervangt geen goede op­voeding en is ook geen garantie voor een goed opgevoede hond. Nogmaals, opvoeden van uw hond doet u elke dag, 24 uur lang en in alle reacties die de hond krijgt op zijn gedrag!

Om uw hond op een plezierige manier op te voeden en zijn gedrag bij te kunnen sturen is het belang­rijk dat u meer leert over hoe een hond leert. Als u namelijk weet hoe een hond leert, kunt u dit leerproces bewust gaan beïnvloeden en sturen. Volgende keer zullen we u daarom meer vertellen over hoe een hond leert!

Nederlandse Berner Sennen Vereniging